Btw, box 3, toeristenbelasting, waterbelasting: de lasten voor vakantieparken en eigenaren van recreatiewoningen stapelen zich op. Overheden zien bij elk besluit louter de opbrengst. Wat dat kost aan investeringen in de regio, blijft buiten beeld. Rosanne Goodijk (Deloitte) Stef Driessen (ABN AMRO) maakten een analyse van de consequenties voor de sector verblijfsrecreatie, eigenaren van vakantiewoningen en de regionale toeristische keten.

Wie dit jaar in een bungalow op een Nederlands vakantiepark verbleef, betaalde 21% btw over de overnachting, tegen 9% vorig jaar. In Duitsland bedraagt die btw 7%, in België 12. Van elke Nederlandse euro omzet van campings en vakantieparken gaat inmiddels 33 tot 44 cent naar belastingen, heffingen en verplichte lasten, tegenover ongeveer 27 cent in 2018. Bij elk afzonderlijk besluit kijken overheden vooral naar de opbrengst. Wat blijvende lasten op termijn doen met investeringen, banen en de kwaliteit van toeristische regio’s, komt zelden op tafel. Wie heffingen vaststelt, moet ook die rekening meewegen.
Stapeling van lasten
De btw is het meest toegenomen, maar ook andere lasten lopen op. De toeristenbelasting is gemiddeld € 2,79 per persoon per nacht, bijna 10% meer dan vorig jaar. Inmiddels heft 94% van de gemeenten deze belasting, tegen 81% in 2018. Ook de belasting op leidingwater en de OZB stijgen. Zelfs de medewerker merkt het: Het kabinet wil de belastingvrije korting op eigen producten voor het personeel per 2027 schrappen.
Voor particuliere eigenaren van vakantiewoningen komt daar box 3 bij. Volgens het Kadaster bezitten zij 63% van de bijna 135.000 woningen op Nederlandse vakantieparken. De Belastingdienst gaat in 2026 uit van een forfaitair rendement van 6% over de WOZ-waarde. Onderhoud, parkbijdrage en verhuurkosten tellen daarbij niet mee. Neem een woning van € 250.000 die na alle kosten 3% opbrengt. Dan gaat 55 tot 72% van de werkelijke huurwinst naar de fiscus, afhankelijk van het overige vermogen van de eigenaar. Wie de aankoop voor de helft leende, kan zelfs meer belasting betalen dan de woning oplevert. Dat komt doordat box 3 voor schulden een lager forfait hanteert dan voor bezittingen.
Voor 2027 wil het kabinet het veronderstelde rendement verhogen naar 7,87%. Dan gaat in dit voorbeeld 70 à 85% van de huurwinst naar de fiscus, opnieuw afhankelijk van het overige vermogen van de eigenaar. Overigens kan de belasting in beide gevallen lager uitvallen wanneer de eigenaar op basis van de zogeheten tegenbewijsregeling kan aantonen dat het rendement die volgt uit de huuropbrengst en waardestijging lager dan 6% is geweest.
Het aantal recreatiewoningen dat te koop komt, is momenteel het hoogste in vijftien jaar. Of belastingen de oorzaak zijn, valt niet te bewijzen. Wel krimpt de marge: de prijzen voor overnachtingen stegen in het eerste halfjaar net onvoldoende om de btw-verhoging goed te maken, terwijl het aantal overnachtingen op vakantieparken daalde.
Minder investeringsruimte
De gestegen lasten hebben grote gevolgen voor de ondernemers in de recreatiesector. Lasten die een park niet kan doorberekenen, drukken het bedrijfsresultaat vóór rente, belastingen en afschrijvingen (ebitda). Op dat resultaat baseren banken hoeveel zij willen lenen.
Een vakantiepark waarvan de bank ook het vastgoed financiert kan meestal tot zes keer dat bedrijfsresultaat lenen. Elke euro die jaarlijks van het resultaat afgaat, kost zo’n park dus zes euro aan leenruimte. Hogere lasten kunnen daardoor niet alleen het resultaat drukken, maar ook de financiering van vernieuwing beperken.
Bij particuliere eigenaren werken de hogere belastingen nog directer. Box 3 kent in principe geen aftrek voor onderhoud of verduurzaming. Slechts bij toepassing van de tegenbewijsregeling kan dit wel, omdat de waardestijging die direct het gevolg is van onderhoud dan niet als belastbaar rendement wordt gezien.
Investeringsruimte is hard nodig. Volgens ABN AMRO moet een bungalowpark dat zijn huisjes zelf bezit jaarlijks minstens 5% van de omzet herinvesteren, en de horeca 12,5 tot 15%. Dat geld gaat naar kwaliteit die een park ook buiten het hoogseizoen aantrekkelijk houdt. Het komt meestal terecht bij lokale aannemers, installateurs en technici. Zo kan een heffing die vandaag geld voor overheden oplevert, morgen het geld wegnemen waarmee bedrijven zich vernieuwen.
Breder economisch belang
Toerisme in Nederland was in 2025 goed voor € 117,6 miljard aan bestedingen en 781.000 banen. Vakantieparken ontvingen dat jaar 11,4 miljoen gasten. Van iedere euro die een buitenlandse toerist aan zijn verblijf uitgeeft, gaat ruim drie euro naar horeca, winkels, vervoer en recreatie in de omgeving. Toeristen houden daarmee niet alleen vakantieparken draaiend, maar ook lokale voorzieningen. Op de Waddeneilanden staat bijvoorbeeld slechts 3,1% van de winkels leeg, tegen 7% landelijk.
Gemeenten hebben goede redenen om bezoekers mee te laten betalen aan wegen, stranden en toezicht. Maar wie de toeristenbelasting verhoogt, ziet louter de directe opbrengst op de begroting. De investering die een park uitstelt en de opdracht die de lokale aannemer misloopt, blijft uit zicht. Voor het Rijk geldt hetzelfde bij btw en box 3.
Wij pleiten daarom voor een eenvoudige toets. Breng bij elke nieuwe of hogere heffing voor de recreatiesector ook de negatieve gevolgen voor investeringen en het verlies aan andere inkomsten voor de regio in kaart. Zo wordt zichtbaar of de overheid met hogere heffingen ook zichzelf in de vingers snijdt.
Met dank aan (redacteuren van dit artikel):
- Rosanne Goodijk, Global Business Tax Partner en Transportation, Hospitality and Services lead bij Deloitte.
- Stef Driessen is Sector Expert Leisure bij ABN AMRO.